start rechtenvrij

Maak een slimme start!

Hoe begin jij met het instuderen van een nieuw muziekstuk? Als je het doet zoals de meeste leerlingen, dan begin je het gelijk helemaal door  te spelen.  Om het vervolgens steeds weer van begin tot eind opnieuw te spelen, steeds een beetje beter. Wil je het sneller ingestudeerd hebben? Lees dan de volgende tips en maak voortaan een slimme start!

 

Je bent nieuwsgierig!

Het is heel logisch dat je gelijk wilt horen hoe het stuk klinkt ( je bent er natuurlijk nieuwsgierig naar! ) en dat je het dus ook gelijk begint te spelen. Als je dat heel graag wilt is dat prima. Maar voordat je het serieus gaat studeren helpt het enorm om eerst te kijken hoe het stuk in elkaar zit; dat scheelt een hoop studeertijd!

Tips voor een slimme start

Aan de hand van onderstaand stukje, “Graceful Butterfly” door Hans Hartog, een aantal tips om het nieuwe liedje sneller in de vingers te krijgen! Hoewel deze tips in eerste instantie bedoeld zijn voor beginnende pianisten, zijn de tips grotendeels ook heel toepasbaar voor gevorderden en andere instrumentalisten.

1: Toonsoort en maatsoort

Kijk in welke toonsoort en maatsoort het staat. ( in het voorbeeld is dat C majeur en 4 kwartsmaat)

2. Opbouw

Kijk naar de globale opbouw van het liedje. In dit geval 8 maten A, 8 maten B, 4 maten A.
Dit geeft al een aanwijzing dat de laatste 4 maten waarschijnlijk in het eerste A gedeelte ook al voorkomen, misschien in een gevarieerde vorm.

3. Bereik

Kijk welke noten er staan voor de rechterhand: wat is de hoogste noot en wat de laagste: centrale c is de laagste en de g daarboven is de hoogste. Hieruit kun je opmaken dat je hand tijdens het liedje niet van positie verandert. Handig om dat vooraf al te weten! Wanneer blijkt dat je wel van positie verandert tijdens het liedje, kun je vast met een markeerstift of rood potlood aangeven waar dat is.

4. Opvallend

Welke noten staan er voor de linkerhand? In dit geval komen alleen de c en de g maar voor. Misschien valt het je ook op dat in het A gedeelte iedere maat begint met links een c en rechts een e! Probeer die linkerhand maar eens te spelen.

Butterfly2

5. Herhalingen

Wanneer je goed het A gedeelte bekijkt zie je dat de eerste maat herhaald wordt in maat 3, maat 5 en 7. Ook in de onderste regel vind je diezelfde maat nog 2x. Dit betekent dus, dat als je de eerste maat goed kunt spelen, je er in feite al 6 kan spelen!! Goed om je dit te realiseren, want dat scheelt tijd en moeite! Speel die eerste maat met 2 handen net zolang totdat het vloeiend gaat en je heel goed weet hoe het moet klinken. Kun je de melodie (rechterhand partij) zingen?

Kijk je verder naar de 2e maat, dan zie je dat deze ook herhaald wordt in maat 6 en in de 2e maat van de onderste regel. Een snelle rekensom: 6x maat 1 + 3x maat 2 = 9 maten die je kunt spelen als je de eerste 2 kan spelen, dan ben je al bijna op de helft van het stukje! Tijd om de tweede maat oefenen. Lukt het? Dan speel je maat 1 en 2 achter elkaar.

6. Slotmaten

Dan nu de slotmaten van regel 1,2 en 5. Die van regel 1 heb je vast snel onder de knie. Die van regel 2 is iets lastiger, blijf deze net zolang spelen totdat die lukt. De slotmaat van regel 5 is een variatie hierop, en het helpt enorm als je ervan bewust bent dat het enige wat er anders aan is dat de noten e, d en c hier op de zelfde plaats staan als in de slotmaat van regel 2, dat alleen de g noot er als afwisseling tussen is geplaatst. 

7. B gedeelte

Kijk nu eens goed naar B gedeelte. Die twee regels zien er ook aardig hetzelfde uit! Alleen de laatste maat verschilt. Speel beide maten en hoor het verschil; de eerste slotmaat is een soort “open einde”, je hoort dat het nog verder gaat. Terwijl de tweede wel echt een einde van dat B gedeelte is. Onthoud dat de eerste op een e eindigt en de tweede op de c; de grondtoon van het liedje.

Sneller resultaat door een slimme start!

Wanneer je op bovenstaande manier nieuwe muziekstukken benadert, zal je merken dat je veel sneller resultaat hebt van je studeren. Dit komt doordat dit een veel intensievere manier van studeren is dan alleen het liedje maar steeds weer van begin tot het eind doorspelen. Daarbij weet je ook veel beter wat je nu eigenlijk aan het spelen bent en wordt het daardoor gemakkelijker om het uit je hoofd te leren.

Ben je op zoek naar nog meer tips om slimmer te studeren? Klik dan hier: lastige overgangen

 

Veel studeerplezier en een vliegende slimme start toegewenst!

pianotoetsen met noten rechtenvrij 3Rusten; denk jij eraan? Wanneer je hard aan het oefenen bent, let je vooral op de noten die je moet spelen. Heel logisch! Maar rusten zijn net zo belangrijk!

 

 

 

Wat is muziek?

Daar bestaat geen eenduidig antwoord op, iedereen heeft daar zo zijn eigen ideeën over. Wat de één bestempelt als mooie muziek, vindt de ander meer klinken als herrie! Maar laten we voor het gemak even afspreken dat we het nu hebben over klanken, gemaakt door instrumenten ( inclusief de menselijke stem ). Daar wil ik ook aan toevoegen: afwezigheid van klank vlak vóór, tussen en vlak na klanken. Dat is wellicht lastig te begrijpen, ik leg het even uit aan de hand van een voorbeeld.

 

Denk je even in:

Je zit in een concertzaal te wachten tot de pianist met zijn concert gaat starten. De pianist komt het podium op en er klinkt een groot applaus! De pianist neemt buigend het applaus in ontvangst en neemt plaats.
En dan: STILTE!
Deze stilte zindert van de concentratie en spanning van wat er komen gaat! Totdat de eerste klanken klinken.
Ook tijdens het concert zijn er momenten van stilte, waardoor de klanken die gespeeld worden weer beter tot zijn recht komen. Het concert nadert het einde en de laatste klanken worden gespeeld. Langzaam sterft het geluid uit en de betovering blijft hangen totdat het helemaal stil is. Dan ineens, alsof iedereen ineens beseft dat het afgelopen is, barst het applaus los!

 

Functie

Je kunt je nu vast beter indenken dat de stilte of rust ook echt een functie heeft. Stilte is niet alleen maar afwezigheid van geluid, maar geeft geluid juist meer betekenis!

Denk dus als je muziek aan het maken bent ook aan de rusten, zodat de noten die je speelt echt mooi uitkomen!

 

Rusten overzicht

Hier nog even een klein overzicht van de meest voorkomende rusten:

 

Veel studeerplezier!

De kwintencirkel is een handig hulpmiddel om erachter te komen hoeveel en welke kruizen of mollen er in een toonladder/toonsoort zitten. Deze keer behandel ik de binnenkant van de kwintencirkel, waar de toonladders met de mollen staan.

 

Wanneer je naar de afbeelding hieronder van de kwintencirkel kijkt, valt je wellicht op dat er in de binnenkant letters staan met 2 mollen erbij. Laat je hierdoor niet afschrikken, want daar zal je weinig tot nooit mee te maken krijgen. Het ziet er ook nog eens indrukwekkender uit dan het ingewikkeld is 😉 Maar laten we maar eens kijken hoe het werkt!

 

Tegen de klok in

De kruizen toonladders staan aan de buitenkant. En steeds als je met de klok mee een plekje verder gaat, komt er een kruis bij. (zie voor uitgebreide uitleg: )

De toonladder die mollen hebben, vind je aan de binnenkant van de kwintencirkel. Je begint weer bovenaan met de toonladder van C die géén kruizen of mollen heeft. Het rode pijltje geeft al aan dat je aan de binnenkant van de cirkel tegen de klok in moet bewegen om naar de toonladder te gaan die 1 mol heeft: F. De F is een kwint lager dan de C. Dus waar je bij de kruizentoonladders steeds een kwint omhoog gaat om bij de volgende te komen, ga je bij de mollen toonladders steeds kwint omlaag!

 

Kwint omlaag

Wanneer je binnen de toonladder van F weer een kwint (5) omlaag gaat, kom je uit op de Bb. Er zit immers geen B maar een Bb in de toonladder van F. De toonladder van Bb heeft dus 2 mollen. Wanneer je in de toonladder van Bb weer een kwint naar beneden gaat, kom je op de Eb, enz.

 

Welke mollen?

Net zoals je de volgorde van de kruizen in de kwintencirkel vinden kunt, kan je ook de mollen vinden. De eerste mol is altijd de Bb, de 2e is altijd de Eb, de 3e de Ab, enz. Ook weer tegen de klok in kijken dus!

 

Is het je opgevallen?

Wat aan de buitenkant staat is steeds dezelfde toets als aan de binnenkant! Een F is immers hetzelfde als een verhoogde E: E#, een Bb is hetzelfde als een A#, enz.

Dat is ook de reden dat je van de kruizentoonladders het meeste de toonladders t/m 6 kruizen zult gebruiken, en van de mollen toonladders die t/m 6 mollen. Want als je mag kiezen tussen een toonladder van F, met 1 mol, of die van E#, met 11 kruizen, dan denk ik dat je F kiest! (Zou ik in ieder geval wel doen…). Of als je mag kiezen tussen de toonladders van D met 2 kruizen, of Ebb met 10 mollen? Ik zou het niet moeilijker maken dan nodig….

 

Om te oefenen:

Neem een willekeurige toon en kijk hoeveel kruizen of mollen erin zitten als je op die toon een toonladder maakt.

Kijk ook welke kruizen of mollen erin zitten.

Probeer de toonladder te spelen

Herhaal het voorgaande op andere tonen

Vind je het te moeilijk? Begrijp je iets niet? Wil je iets anders weten? Vertel het me! Ik hoor graag hoe ik je verder kan helpen!

 

Veel studeerplezier!

Deel 1 : toonladders met kruizen

De kwintencirkel, heb je er wel eens van gehoord? Het is een hulpmiddel om snel te weten te komen hoeveel kruizen of mollen er in een toonladder/ toonsoort zitten. Maar je kunt er nog meer informatie uit halen!

 

Voor wie is dit interessant ?

  • Muzikanten die meer willen weten over toonladders en toonsoorten
  • Muzikanten die beter willen begrijpen hoe het werkt met kruizen en mollen
  • Iedereen die het leuk vindt om meer te weten over muziektheorie en hoe logisch dat in elkaar zit

 

Wat je eerst moet weten

Wanneer je nog erg weinig weet over toonladders, raad ik je aan om eerst deze blog te lezen

https://muziekstudio-legato.nl/toonladders-studeren-zin-onzin/

Wanneer je eerst nog wat basisinformatie over kruizen en mollen wilt lezen:

https://muziekstudio-legato.nl/kruizen-en-mollen-hoe-zit-dat-nou/

 

Kruizen en mollen

Aan het einde van mijn blog https://muziekstudio-legato.nl/toonladders-studeren-zin-onzin/ kun je lezen dat je kunt ontdekken welke toonladder er bij een stuk hoort door te kijken naar de kruizen of mollen die vooraan de notenbalk staan, en naar de slottoon of het slotakkoord.

Stel dat er 4 kruizen vooraan de notenbalk staan, en je hebt geen idee welke toonladder er 4 kruizen heeft, hoe kom je daar dan achter? Je kunt kijken wat het slotakkoord is en dan daar de toonladder bij uit gaan rekenen en kijken of die inderdaad 4 kruizen heeft. Maar er is een snellere manier!

 

De buitenkant van de Kwintencirkel

Door de kwintencirkel te gebruiken, kun je het in één oogopslag zien! Ik zal uitleggen hoe het werkt.

 

De kwintencirkel heeft een indeling als de wijzerplaat van een klok, een cirkel die in 12 gelijke delen is verdeeld. Bovenaan staat de C op de 12. Met de klok mee aan de buitenkant zie je op de 1 G staan, op de 2 D, op de 3 A, op de 4 E, enz. Het getal waar de letter bij staat, geeft aan hoeveel kruizen er in die toonladder zitten. Dus de majeur toonladder van E heeft 4 kruizen.

 

Steeds een kwint omhoog

De kwintencirkel heeft zijn naam te danken aan de afstanden tussen de toonladders. Een kwint omhoog is een kruis erbij. Het werkt zo:

Wanneer je vanaf de C 5 tonen ( dat is een kwint) omhoog gaat, kom je terecht op de G. De toonladder van G heeft 1 kruis. Wanneer je de 5e toon van de toonladder van G opzoekt, kom je op de D. De toonladder van D heeft 2 kruizen. Wanneer je de 5e toon van de toonladder van D opzoekt, kom je uit op de A. Je raadt het al, deze heeft 3 kruizen. Steeds wanneer je een kwint omhoog gaat, komt er een kruis bij.

 

Vaste volgorde

Wellicht vraag je jezelf nu af welke kruizen dat dan zijn. Ook dat kun je zien in de kwintencirkel! Kruizen verschijnen altijd in dezelfde volgorde als ze vooraan de notenbalk staan. De allereerste is de F#. Wanneer een toonladder 2 kuizen heeft, zijn het de F# en de C#. Wanneer een toonladder 3 kruizen heeft zijn het de F#, de C # en de G#. Heb je ze al ontdekt in de kwintencirkel? Toonladders met meer dan 6 kruizen zul je waarschijnlijk niet vaak tegenkomen. Maar de linkerkant buitenkant van de kwintencirkel is evengoed handig om de volgorde van de kruizen te weten te komen!

 

Volgende week deel 2

De kwintencirkel is zo nog niet compleet. In de volgende blog ga ik uitleggen hoe je de kwintencirkel kunt gebruiken om te kijken welke toonladder er bij een stuk hoort als er mollen vooraan de notenbalk staan. En ik vertel je hoe hem gemakkelijk en snel zelf kunt tekenen!

 

Uitproberen

Je weet nu hoe het werkt! Zoek een aantal muziekstukken op met kruizen vooraan de notenbalk en doe de test. Weet je welke toonladder erbij hoort? En weet je ook welke kruizen er in zitten? Ik ben benieuwd!

 

Veel studeerplezier!

 

 

 

adem rechtenvrijWanneer je tijdens het studeren een “foute toon” speelt, zal je er  waarschijnlijk extra aandacht aan besteden zodat je de fout de volgende keer niet meer maakt. Prima natuurlijk! Maar wat doe je als je niet aan het studeren bent, maar publiek hebt, en je speelt een foute toon?

 

Het beste wat je kunt doen in zo’n geval is “gewoon” doorspelen, alsof de fout er niet was. Maar, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan! Je schrikt toch enigszins van de fout met als gevolg dat je (al is het maar voor even) je concentratie kwijt bent. Je kunt jezelf erop trainen om steeds beter met zo’n situatie om te gaan. De volgende tips kunnen je hierbij helpen:

 

1. Studeer ook om door te spelen

Wanneer je altijd stopt wanneer je een fout maakt tijdens het studeren, raak je daar zo aan gewend dat het een gewoonte wordt. Doorbreek dat patroon door jezelf vaak de opdracht te geven het stuk te spelen zonder te stoppen. Een goede studeer manier is: speel het stuk eerst een keer door zonder te stoppen. Studeer de stukjes met de struikelblokken apart en eindig weer met het hele stuk, zonder te stoppen.

 

2. Vindt het niet belangrijk

Het gaat om de muziek die je maakt. Een foute toon is niet erg. Iedereen maakt wel eens een foutje. Wanneer jij er geen probleem van maakt en gewoon doorgaat, zal je publiek er ook geen aandacht aan schenken!

 

3. Ga samen spelen

Wanneer je samen met anderen speelt, kan je niet zomaar stoppen als je iets fout doet. De anderen spelen gewoon verder. Wanneer je gewend bent om samen te spelen, zal je er ook meer aan gewend raken om niet stoppen wanneer er iets niet goed gaat.

 

4. Speel met een opname (cd) mee

Heb je niemand in je omgeving om mee samen te spelen? Kijk dan of je met een opname van het stuk kunt meespelen. Zoek het stuk op op Youtube of Spotify, of misschien heb je wel de cd, die bij het muziekboek hoort waaruit je speelt. Het effect is net als bij het samenspelen: je wordt gestimuleerd om door te gaan, ook als er iets mis ging!

 

5. Wat is eigenlijk “fout” ?

Enige tijd geleden ontdekte ik het boek “Vrij Spel” , geschreven door Robijn Tilanus. (Een aanrader!) Het gaat over improviseren. Improviseren is iets wat iedereen kan. Want wanneer je improviseert ben je aan het ontdekken en kan je het nooit fout doen! Je hebt natuurlijk wel eens dat er iets anders klinkt dan je bedoeling was. Maar dat mag! Wanneer je dit vrije improviseren vaker doet, helpt je dat om niet te schrikken van foute tonen. Ook in andere situaties. Je bent meer gewend om er niet van te schrikken en gewoon door te spelen.

 

6. Een cadeautje!

Zij schrijft: “Wees niet bang voor foute tonen. Want het goede nieuws is: foute tonen bestaan niet in de wereld van de improvisatie. Een “foute” toon is meestal gewoon een dissonant die je niet bedoeld had……….Het is een onverwachte verrassing van je instrument voor jou. Een cadeautje! Je hoeft het cadeau alleen maar te accepteren.”
Daar gaat het dus eigenlijk om: accepteren! Want, zo schrijft zij, “De “foute toon” is niet fout, maar de aarzeling, de hapering of de verbetering maakt dat we een fout ervaren.”
Hoewel het iets anders is wanneer je niet improviseert maar een bestaand stuk speelt, helpt deze gedachtegang wel om goed met een fout om te gaan. Zie het niet als een fout, maar een verrassende variatie! 

Veel studeerplezier!

Syncope(n): Wanneer je al een poosje op je instrument bezig bent en je wilt een popnummer gaan spelen, kom je ze vrijwel zeker tegen. Maar wat is precies een syncope? En hoe kan ik dit dan het beste oefenen? In deze blog vind je antwoorden!

 

Wikipedia

Wat doe je als je iets wilt weten? Je zoekt het op, op internet! Als je zoekt op “Syncope”, kom je al snel terecht op Wikipedia. Daar vind je deze defenitie:

In de muziek spreekt men van een syncope wanneer een of meer tonen niet op de tel of puls vallen, waardoor een of meer normale accenten verlegd worden.
De syncope wordt in de muziek gebruikt om het accent te verleggen, om het accent op een andere dan de gebruikelijke / verwachte plaats aan te brengen. Vaak is dit de plek vlak voor het verwachte telaccent (anticiperende syncope), of vlak na de verwachte tel (ook wel echosyncope genoemd).

Is het zo voor iedereen duidelijk? Hmm…ik vrees van niet! Prima definitie hoor, maar wat is het nou eigenlijk? Ik zal het je uitleggen op een simpele manier.

 

Of in simpele woorden…

Een syncope is wanneer er geen toon klinkt op een plek in de maat waar je het wel verwacht.

 

Een voorbeeld

Je bent gewend dat de hele tellen in een vierkwartsmaat duidelijk hoorbaar zijn. Er is bijvoorbeeld sprake van een syncope, als er op een tel in de maat juist géén toon gespeeld wordt, maar wel een toon een halve tel eerder en/of een halve tel later.
Hieronder zie je een voorbeeld van syncopen met de telling eronder. Beide maten klinken hetzelfde.

 

 

De bladmuziek

Ik had deze week een leerling op les die Ebony and Ivory van Paul McCartney en Stevie Wonder aan het studeren was. Deze hit uit 1982 staat helemaal bol van de syncopen!
Als je wilt weten hoe het eruit ziet: Google dan even 😉 Je ziet de eerste bladzijde als voorbeeld, in onderstaande link:

Ebony and Ivory

Studeer tips

Je hebt waarschijnlijk wel in de gaten dat het tellen van zo’n stuk met al die syncopen best lastig is. Hoe studeer je dat dan?

 

1. Tellen

Zoek uit hoe je het moet tellen en schrijf het erbij. Dat zou ik niet gelijk voor het hele stuk doen, maar de eerste paar regels. Ga dat langzaam studeren en tel er bij voorkeur hardop bij! Wanneer je de eerste paar regels goed in de vingers hebt, is het misschien niet meer nodig om nog verder alles erbij te schrijven. Bovendien worden er vaak gedeelten herhaald, dus let daarop. Maar is het wel nodig om de telling er verder ook nog bij te schrijven, dan doe je dat.

 

2. Luisteren

Je kent het stuk en kan de melodie waarschijnlijk wel meezingen. Maar waarschijnlijk niet goed genoeg om het ritmisch precies kloppend te krijgen wanneer je de muziek er niet bij hoort. Maak gebruik van het feit dat je de melodie kent door de volgende dingen te doen:
Luister naar het stuk terwijl je de bladmuziek meeleest. Klap de hele tellen terwijl je de melodie meezingt. Lukt dat goed, dan kan je het moeilijker maken. Klap de tellen terwijl je het zingt, zonder dat je het origineel hoort. Let op: je klapt dus op tel 1, 2, 3, en 4 en dat is niet tegelijk met hoe je de melodie zingt!

 

3. Nog iets moeilijker

Wanneer het zingen met klappen in de maat goed gaat, kun je de melodie gaan proberen te spelen. Gebruik hierbij een metronoom of een style op je keyboard zodat je goed hoort of het klopt wat je doet. Met je hand op je been de hele tellen laten horen is nog beter (en moeilijker).

Oefen beide manieren: met tellen erbij schrijven en op je gehoor. Op die manier ga je steeds beter begrijpen en aanvoelen hoe je het moet spelen.

 

Veel studeerplezier!

 

staart rechtenvrij

Dit is misschien een beetje ouderwets gezegde, het betekent: het gevaar zit op het eind. “Coda” is het Italiaanse woord voor “staart”. Het wordt in muziek veel gebruikt om de laatste paar maten van het stuk aan te duiden. Je kunt dus ook zeggen: het venijn zit hem in het coda!

 

Het coda

Waar het spreekwoord precies vandaan komt weet ik niet, maar wel dat het vaak opgaat bij muziekstukken! 2 leerlingen hadden afgelopen week een nieuw stuk goed gestudeerd. Het enige waar het niet lekker liep was het coda, of zelfs alleen het slotakkoord. Dit is een fenomeen wat ik vaak tegenkom in mijn lespraktijk.

 

Verklaring

Hoe komt het dat het laatste gedeelte vaak moeilijk gaat?
Daar heb ik wel een eenvoudige verklaring voor:
Ten eerste begin je altijd te studeren aan het begin van een stuk. Het laatste deel studeer je daarom zeer waarschijnlijk minder, of minder lang, dan het begin. Het begin zal daarom gemakkelijker gaan.
Ten tweede staan er in een stuk vaak gedeelten die herhaald worden. Die heb je daardoor dus al vaak gespeeld. Een coda of slotakkoord komt maar 1 keer voor. Minder vaak geoefend betekent meestal, minder goed kunnen spelen!

 

Tips

Wanneer je beseft dat het coda niet moeilijker is dan de rest, maar dat je het gewoon wat meer moet oefenen, ben je al een eind op de goede weg. Hier nog wat concrete tips:
– oefen het coda een paar keer voordat je het stuk helemaal gaat spelen. Oefen het ook weer als laatste nog een paar keer extra. Op deze manier zorg je dat het coda niet achter loopt in het aantal gespeelde keren.

 

Sprong

Wanneer het slotakkoord het probleem is, heeft dat vaak te maken met de grote sprong die je met je handen moet maken. Bij een grote sprong is het altijd belangrijk dat je naar je handen kunt kijken omdat het op je gevoel meestal niet goed lukt. Naar je handen kijken lukt niet als je naar je bladmuziek moet kijken: uit je hoofd weten wat je moet spelen is dus een must. Daarbij helpt het enorm als je precies weet hoe het er uitziet/voelt/klinkt wanneer je het akkoord speelt. De tip:
– Speel het slotakkoord zo vaak mogelijk. Iedere keer als je langs je instrument loopt: slotakkoord! (staat je instrument niet in een looproute, loop er dan toch vaak langs!) Ben je aan het oefenen en heb je net een ander stuk gespeeld: slotakkoord! Probeer de toets combinatie zo snel mogelijk te vinden.

 

Het helpt echt, probeer maar!

Veel studeerplezier!
  

 

vleugel abstract rechtenvrij“Het tempo bepalen van een stuk, hoe doe je dat?” In dit artikel ga ik in op deze vraag van een leerling. Soms staat er boven het muziekstuk wat je moet spelen een aanwijzing over het tempo van het stuk. Maar niet altijd. Hoe bepaal je het tempo van een stuk bovendien op zo’n manier dat het zo mooi mogelijk klinkt? Hieronder 5  tips!

 

Tip 1: Staat er een tempo aanduiding boven?

Wanneer je een kwartnoot met een getal erbij ziet staan, dan is dat een aanwijzing voor het tempo. Het geeft aan het aantal kwartnoten per minuut. Hoe hoger het getal, hoe sneller het tempo. Wanneer je een andere noot ziet staan, b.v een halve noot met een getal ernaast, betekent dat het aantal halve noten per minuut.

Tempo aanduiding

Tempo aanduiding bovenaan het stuk

Maar hoe werkt dat dan?

“Ja”, denk je waarschijnlijk, “dat is leuk om te weten. Maar hoe kom ik er nu achter hoe snel of langzaam dat nu eigenlijk is?” Heb je een keyboard? Dan is het gemakkelijk. Kies een style uit die past bij de maatsoort van het muziekstuk (bv. een 8 beat bij een vierkwartsmaat of een wals bij een 3 kwartsmaat) en stel het tempo in op het getal wat staat bovenaan het stuk. Druk op de start knop en je hoort hoe snel het gaat. Heb je geen keyboard? Dan is het handig om een metronoom te hebben. Dat is zo’n apparaat wat gaat tikken en / of piepen op de maat als je het aanzet. Ook hierop kun je het tempo instellen. Er zijn tegenwoordig ook heel handige metronoom-apps te downloaden op je telefoon. Die zijn vaak zelf gratis!

 

metronoom rechtenvrij

Een ouderwetse metronoom

Tip 2: zie het als een richtlijn

Zie het tempo wat bij het stuk vermeld staat als een richtlijn, niet als een verplichting! Wanneer je in een orkest speelt ligt dat wat moeilijker, maar als je alleen speelt of in een klein groepje, moet je zelf bepalen of het aangegeven tempo voor jou ook het juiste is. Je kunt het wel in een heel snel tempo willen spelen, maar als het daardoor slordig klinkt, je fouten gaat maken en je ongemakkelijk voelt, zou ik dat gewoon niet doen.

 

Tip 3: denk aan het moeilijkste gedeelte van het stuk

Bepaal het tempo waar je mee begint door aan het moeilijkste gedeelte van het stuk te denken. Het moeilijkste gedeelte wil je waarschijnlijk het liefst wat langzamer spelen dan de gedeeltes die je niet moeilijk vind. Helaas is dat meestal niet de bedoeling. Bedenk dus voordat je begint met spelen op welk tempo je het moeilijkste gedeelte nog goed kunt spelen. Neem dat als begin tempo en je komt keurig aan het eind!

 

Tip 4: zoek op internet

Wanneer er geen tempo bij staat geschreven kun je op internet zoeken naar een uitvoering van het stuk. Het liefst zelfs verschillende uitvoeringen. Want dan kun je de verschillen horen en bepalen wat jij het mooiste tempo vindt. Dit betekent natuurlijk niet dat je het dan ook gelijk op dat tempo moet gaan spelen (zie tip 2) maar dan weet je waar je naartoe wilt werken.

 

Tip 5: let op de stijl

Kun je geen uitvoeringen ervan vinden en staat er ook geen tempo aanduiding bij? Dan is het handig om naar de stijl van het stuk te kijken. Is het dansmuziek? Probeer er dan achter te komen hoe er op gedanst wordt en hoe snel. Is het een blues? Dan mag het meestal rustig gespeeld worden. Maar is het een Bluesschema in Rock & Roll stijl? Dan klinkt het vast beter in een lekker vlot tempo! Wanneer je een keyboard hebt, kun je als indicatie ook kijken naar het standaard tempo van de style die bij het stuk past. Je ziet dan ook al dat bv. een Engelse wals een stuk lager tempo heeft dan een Weense wals.

 

Veel studeerplezier!

 

Pianotoetsen

Noten met bogen en puntjes!

Wanneer je voor het eerst geconfronteerd wordt met een muziekstuk waar allemaal bogen en puntjes bij de noten staan, zou zomaar de moed je in de schoenen kunnen zinken. Je ziet door de bomen het bos niet meer, of liever gezegd: je ziet door de bogen en puntjes de muziek niet meer! Houd moed, want met behulp van deze tips, is het goed te doen!

 

Hoe zat het ook al weer….

Er zijn 2 verschillende soorten puntjes:

1. De punt naast de noot maakt de noot de helft langer. Een noot van 2 tellen (halve noot) met een punt ernaast duurt 3 tellen, een noot van 1 tel (kwart noot ) met een punt ernaast duurt anderhalve tel, enz.

2. Een punt boven of onder de noot noemen we staccato. Dat is een speelmanier waarbij je de noot kort en puntig speelt

Nu de bogen…..

Er zijn ook 2 verschillende soorten bogen:

1. Een boog die van de ene noot naar de volgende noot is genoteerd waarvan beide noten dezelfde toonhoogte hebben, noemen we een verbindingsboog. De lengte van beide noten wordt bij elkaar opgeteld en als 1 noot gespeeld.

2. Een boog die onder of boven meerdere noten (of zelfs meerdere maten) is genoteerd, noemen we een frazeringsboog of legatoboog. Dit geeft aan dat je noten gebonden (legato) moet spelen. Dus het tegenovergestelde van staccato. Vaak worden de bogen ook gebruikt om aan te geven hoe een muzikale zin loopt. De noten onder de boog speel je gebonden, tussen de bogen in speel je de noten los van elkaar, alsof je ademhaalt.

 

Dan nu de tips!

Tip 1: Wanneer je een stuk te moeilijk vindt; maak het dan makkelijker voor jezelf!
Je kunt niet overal tegelijk je aandacht op richten, dus kijk eerst even op je gemak waar de verbindingsbogen staan en de noten met de punten ernaast: daar moet je wel gelijk op letten want die bepalen hoelang de noot duurt.

Tip 2: Wanneer je net met een nieuw stuk begonnen bent, let je nog niet zo op legato en staccato. Dat bewaren we voor een later moment, wanneer je de noten beter weet te vinden.

Tip 3: Eerst handen apart doornemen (voor toetsenisten)

Tip 4: Kies een rustig tempo

Al snel zal je merken dat het op deze manier wel te doen is. Wanneer je de noten in een rustig tempo goed kan spelen, wordt het tijd om aandacht te geven aan de staccato en legato. Neem bij voorkeur ook nu weer de even de handen apart, zodat je veel aandacht kan geven aan de speelmanier.

Tip 5: Pas als allerlaatste ga je naar het juiste tempo toewerken.

Veel studeerplezier!

Noten lezen is iets wat iedereen kan leren. Al mijn leerlingen zijn er op de één of andere manier mee bezig. Ik vind het altijd fascinerend om te zien dat de meeste leerlingen moeite hebben met maatstrepen. “Magische Maatstrepen”, noem ik ze wel eens voor de grap. Want een maatstreep doet meer met de meeste leerlingen dan je zou denken! Maar voordat ik dat uit ga leggen, eerst nog even wat een maatsoort precies is en waar die maatstrepen ook al weer voor dienen. En…wat je er vooral niet mee moet doen!

Vierkwartsmaat

Voordat we met de maatstreep gaan beginnen, eerst nog even over de maatsoort. Hiermee bedoelen we de twee cijfers die helemaal links op de bovenste notenbalk staan, naast de G-sleutel en/of F-sleutel. Wat je het meeste tegenkomt is twee vieren boven elkaar, de vierkwartsmaat.

 

Dit betekent dat er 4 kwartnoten (een zwarte noot met een stok, zoals de dik gedrukte noot hieronder) in 1 maat staan en dat je steeds tot 4 telt.

Kwartnoot

 

Driekwartsmaat

Ook de driekwartsmaat kom je regelmatig tegen. Die wordt genoteerd als een 3 en een 4 boven elkaar.

De 3 staat weer voor het aantal tellen in de maat, en de 4 eronder is de teleenheid. 3 kwartnoten in een maat dus. Weet je hoe een wals klinkt? Dat is een driekwartsmaat!

 

Andere teleenheid

Het onderste getal in de maatsoort kan ook iets anders dan een 4 zijn. Wat bijvoorbeeld regelmatig gebruikt wordt is een 8. Wanneer er een 8 onderin staat, is de teleenheid, dat is de noot die je als 1 tel bestempelt, een achtste noot. In de afbeelding hieronder zie je de achtste noot dik gedrukt:

achtste noot

Dus de noot die je in een vierkwartsmaat als een halve tel telt, moet je in een achtste maatsoort als 1 tel tellen. Een achtste maatsoort die je vaak tegenkomt is een 6 achtste maat. Je telt dan dus steeds tot 6.

 

Maatstrepen

Dan komen we nu bij de maatstrepen. Wat zijn dat nu eigenlijk? Maatstrepen zijn de verticale strepen die over de notenbalk staan en de notenbalk in vakjes verdeelt. Zo’n vakje is een maat. Een maatstreep geeft aan wanneer een maat is afgelopen en wanneer de volgende maat begint. Na de maatstreep begin je weer te tellen bij 1. Het is een handig hulpmiddel om snel te zien waar je bent in de maat. Het geeft je houvast.

De magie van de maatstrepen!

Maar behalve wat ik je net heb verteld, doen de maatstrepen nog meer met je: de magie! Het laat je denken dat de muziek in allemaal vakjes staat, alsof het allemaal kamertjes zijn. De maatstreep verandert in een muur. Je kan niet zien wat er achter die muur staat! Dit is vaak het geval bij een (redelijk) nieuw stuk. De leerling begint te spelen en kijkt een beetje vooruit, tot de muur! Dat is allemaal binnen de kamer en in het zicht. Dan moet je eerst de deur openmaken die in die muur zit (even wachten…) voordat je weer naar de volgende kamer kan. Je begrijpt vast al wat het resultaat is: na iedere maat even wachten, maar dat is niet de bedoeling!

 

Laat je niet betoveren!

Maatstrepen zijn geen muren: je kan er gewoon doorheen kijken! En als je dat niet doet, krijg je rare muziek. Want heel vaak is het einde van een muzikale zin in een andere maat dan waar hij begonnen is. Sterker nog, het einde van een muzikale zin zit vaak aan het begin van een nieuwe maat. Wanneer je aan een nieuw stuk gaat beginnen is het dus handig om eerst te kijken hoe de muzikale zin loopt. Probeer zoveel mogelijk zo’n zin in 1 keer te studeren. Is dat te lang, en oefen je het per maat, neem dan in ieder geval de eerste noot van de volgende maat erbij. Zo voorkom je dat je steeds stopt wanneer de maat is afgelopen en verbreek je de betovering! 😉

 

 

Veel studeerplezier!